Representativiteit.

 

Uiteraard vormen de huidige gebruikers van Internet nog geen ideale afspiegeling van de bevolking. En dat zal in de nabije toekomst natuurlijk snel gaan verbeteren. Maar de penetratie van Internet is in sommige delen van de samenleving al zo hoog (hogere inkomens, beter opgeleiden, in sommige delen van het bedrijfsleven etc.) dat je daar alwel gebruik van het Internet kan maken voor onderzoek. Of bijvoorbeeld onder gebruikers van Internet.

Representativiteit van onderzoek staat of valt echter met de mate waarin je een steekproef kan aansturen en beheersen. De behoefte aan representativiteit kan echter van onderzoek tot onderzoek varieren. Wil je een globale indruk van iets hebben dan doet het er minder toe of de steekproef helemaal representatief is. Wil je echter een nauwkeurige schatting van penetratie of gebruik hebben dan is representativiteit wel belangrijk. Ik geloof absoluut niet in onderzoek waarbij bezoekers van sites een vragenlijst krijgen voorgeschoteld of via een banner naar een vragenlijst worden geleid. Deze steekproeven zijn altijd gebiased en heavy users zijn oververtegenwoordigd. Die hebben nu eenmaal meer kans om in de steekproef te komen. Het beste voorbeeld daarvan is de Nationale Internet Monitor. Bezoekers van bepaalde sites krijgen een vragenlijst voorgeschoteld over hun Internet gebruik..De uitkomsten van het onderzoek over E-commerce zijn weinig realistisch. Men heeft dat inmiddels ingezien en heeft bij de tweede meting (die vorige week werd gepubliceerd) via een telefonische steekproef een referentiekader proberen te creeeren waarmee de steekproef van het Internet onderzoek naar de juiste proporties is gewogen. Dat is al een heel stuk beter. De ervaring leert echter dat je nooit helemaal de effecten van bias kan wegwegen.

Dit voorbeeld lijkt sterk op een onderzoek dat Renault jaren geleden heeft gedaan naar een ontwerp van een nieuw model. Dat heeft men gedaan op een autotentoonstelling. De daar aanwezige “freaks” vonden het model geweldig. Men is het toen ook gaan produceren. Het is een grote flop geworden. De doorsnee automobilist vond er niks aan.

 

Grote steekproefaantallen maken een steekproef niet representatiever

Er wordt ook gezegd dat door de grote aantallen respondenten die meedoen aan Internet onderzoek de uitkomsten vanzelf aan betrouwbaarheid winnen en representativiteit er minder toe doet. Maar ook daar kan je de plank mee mis slaan. De Postbank heeft onlangs aan zijn Girotel abonnees een vragenlijst toegemailed die door 70.000 mensen is ingevuld. Die konden allerlei wensen en behoeften kenbaar maken. Er kwamen hele duidelijke uitkomsten uit. De Postbank heeft echter ook een telefonisch onderzoek gehouden onder Girotel-abonnees die geen vragenlijst hadden teruggestuurd. Daar kwamen heel andere uitkomsten uit. De mensen die niet meegedaan hadden aan het onderzoek bleken vooral mensen te zijn die minder vaak van Girotel gebruik maakten. Dat bleken vooral mensen te zijn die moeite met de bediening van Girotel bleken te hebben of over mindere apparatuur bleken te beschikken.

 

Mate van betrokkenheid bij onderwerp bepaalt  aan onderzoek

Het meewerken aan onderzoek wordt sterk bepaald door de met binding en de betrokkenheid bij een onderwerp. Hoe groter die is des te meer is men geneigd mee te werken aan onderzoek. Daarom herhaal ik nog mijn eerder gedane bewering: Representativiteit van onderzoek staat of valt met de mate waarin je een steekproef kan aansturen en beheersen.

 

Internet als postaal medium

Ik denk daarom dat door de traditionele marktonderzoekwereld het Internet vooral als postaal medium zal worden gebruikt. Vanuit een steekproefbestand worden mensen per E-mail benaderd om aan onderzoek mee te werken. Dat kan zowel on-line als off-line gebeuren. Antwoorden worden ook weer teruggestuurd en de respons kan worden bijgehouden. Degenen die nog niet hebben meegewerkt kunnen nogmaals benaderd worden, eventueel via andere media om tot een goede afspiegeling van de doelgroep te komen. Ik heb bewust de traditionele onderzoekwereld genoemd omdat die grote waarde hecht aan het gebruik van wetenschappelijke methoden en technieken. Bij de nieuwe onderzoekbureaus (cyberbureaus) die zich geheel op het Internet verlaten is dat minder of ontbreekt het aan voldoende kennis.

 

Binnen de NVMI is een vakgroep opgericht die zich met deze zaken bezig houdt. Er wordt openlijk gediscussieerd over deze onderwerpen door onderzoekers van bureaus (zowel de traditionele als de Cyberbureaus) en door opdrachtgevers. Ook wordt er gepraat over gedragsregels. Ook ESOMAR houdt zich daarmee bezig en we zullen wel tot een stukje zelfregulering moeten komen. Juist die hang naar specifieke en persoonlijke gegevens heeft ertoe geleid dat er door de Europeesche Unie richtlijnen zijn uitgevaardigd ter bescherming van het individu. De ontwerpwet ‘ Wet Bescherming Persoonsgegevens” is daar een gevolg van. In de Nederlandse versie staat te lezen dat je geen gegevens mag vastleggen zonder ondubbelzinnige toestemming van een persoon. Dat betekent in de praktijk schriftelijke toestemming. Als dit doorgaat zal dat grote gevolgen hebben voor het Marktonderzoek. Telefonisch onderzoek wordt aanzienlijk moeilijker en ook Internet onderzoek kan je dan niet zomaar meer doen. Alleen via zelfregulering kan deze wet verzacht of omzeild worden.

 

 

CAPI@HOME

 

NIPO is behoorlijk actief op Internet. Zelf ben ik al enige tijd bezig met het bouwen van het virtuele NIPO. Alle functies van het marktonderzoekbureau kunnen via Internet gedaan worden, zowel communicatie, verkoop, dataverzameling als distributie.NIPO participeert ook in Media Plaza (het demonstratiecentrum voor de elctronische snelweg in Nederland) omdat we ons ervan bewust zijn dat Internet ons hele doen en laten gaat beinvloeden. Maar ik zal me hier verder beperken tot dataverzameling.

Onlangs hebben we bekend gemaakt dat we een nieuw instrument hebben: CAPI@Home. Dit basis van dit instrument wordt gevormd door (op dit moment nog) ca. 10.000 huishoudens die over een computer en een modem beschikken. Deze huishoudens (ca. 25.000 personen) hebben zich bereid verklaard om regelmatig aan onderzoek mee te werken. We hebben ze verzameld via onze traditionele instrumenten (CAPIBUS en Consumenten Monitor) en we hebben de beschikking over een groot aantal achtergrond kenmerken. We kunnen steekproeven dus sturen op basis van deze kenmerken. We kunnen ook selecties maken van speciale doelgroepen.

Vragenlijsten worden naar deze huishoudens toegemailed of gemodemd. Dit hangt af van het al dan niet op Internet aangesloten zijn. En ook de antwoorden komen terug via dezelfde weg. De ervaringen met de kwaliteit van de antwoorden zijn sterk vergelijkbaar met die van ons Telepanel. Het huishoudpanel dat wij een PC met modem hebben gegeven.(In feite is dit een Internet panel “avant la lettre”). We zien dat mensen echt de tijd nemen om de vragen te beantwoorden. Ze kunnen zelf het moment uitkiezen waarop ze de vragen beantwoorden. Dat is met name zichtbaar bij open vragen. Die worden veel uitvoeriger beantwoord dan in het bijzijn van een enqueteur.

 

Nu nog complementair, later grotendeels in plaats van

Op korte termijn willen we Capi@home uitbreiden naar 30.000 huishoudens. Op termijn zal dat doorgroeien tot wellicht 100.000 of 150.000 huishoudens. Uiteindelijk zal dit helemaal via Internet gaan lopen en voor een groot deel de plaats gaan innemen van de traditionele dataverzamelingsmethoden..

De ontwikkeling van Capi@home is recentelijk in een stroomversnelling gekomen. Dat heeft te maken met de problemen met de traditionele dataverzamelingsmethoden.

Bij mondeling onderzoek hebben we te maken met een tekort aan enqueteurs. De krapte op de arbeidsmarkt zorgt ervoor dat er nauwelijks instroom meer is. We proberen al meer dan een jaar ons bestand met ca. 600 enqueteurs uit te breiden. Dat lukt op geen enkele manier. Vooral in grote steden zitten we met dit probleem.

Bij telefonisch onderzoek hebben we te maken met de sterk teruglopende respons. En dan met name in de meer welstandige bevolkingsgroepen en de moeilijk bereikbare groepen van alleenstaande jongeren, de twee verdieners e.d.. Dat zijn de groepen die relatief vaker in het bezit zijn van een PC met modem en een Internet aansluiting. De electronische dataverzameling kan hier een complementaire rol in spelen.

De onzekerheid rondom de wet bescherming persoonsgegevens (WPB) heeft ook bijgedragen aan de versnelde opzet van Capi@home.

Via Capi@home kunnen we de steekproeven aanvullen waar we tekorten hebben. En ik weet ook wel dat het vloeken in de kerk is voor een onderzoeker om twee verschillende onderzoekmethodes bij elkaar te tellen. Maar wat is beter: een steekproef waarin delen van de samenleving ontbreken of een steekproef waar wel alle lagen van de bevolking zijn vertegenwoordigd? Zeker voor de registratie van feitelijke gegevens biedt dit een uitkomst.

Met de toenemende penetratie van Internet zal deze wijze van dataverzameling alsmaar belangrijker worden. Ook andere bureaus zullen zich op deze methodes gaan toeleggen. En ook in de VS zien we inmiddels een aantal bureaus met reeds zeer omvangrijke interactieve panels. En ik denk dat het sneller zal gaan dan menigeen denkt.

 

Vragenlijst software is ook belangrijk

Bij veel on-line Internet onderzoek wordt gebruik gemaakt van vragenlijst software met beperkte mogelijkheden. In feite gaat het niet veel verder dan de ouderwetse papieren vragenlijst met alle problemen vandien.

Bij het NIPO hebben we ons op het standpunt gesteld dat we via Internet van de zelfde geavanceerde mogelijkheden gebruik willen maken als bij CAPI en CATI onderzoek. Inclusief het gebruik van multi-media en bijvoorbeeld conjunct-meten. Enerzijds heeft dat te maken met de kwaliteit van onderzoek die we willen blijven leveren. Anderszijds heeft het te maken met efficiency binnen de organisatie.Door dezelfde vragenlijst software te gebruiken voor alle dataverzamelingsmethoden ben je flexibler met de inzet van mensen en heb je minder mensen nodig.

 

Verder ontwikkelingen op het gebied van marktonderzoek

Marktonderzoek is natuurlijk meer dan dataverzamelen. In feite leveren we informatie of kennis aan onze opdrachtgevers, de beroemde toegevoegde waarde. En deze informatie hoeft niet alleen van primaire data afkomstig te zijn. Juist de secundaire data en het hergebruik daarvan zullen een grote invloed hebben op het reilen en zeilen van de marktonderzoekwereld. Voordat je aan dataverzameling gaat beginnen ga je eerst kijken wat er al aan informatie beschikbaar is. (En dat is heel veel) Die informatie ga je eerst bewerken en vervolgens ga je kijken wat er nog nodig is. Bij de marktonderzoekbureaus (en ook bij aanpalende branches zoals de consultancy firma’s) krijg je specialisten op het gebied van het zoeken naar bestaande informatie op het Internet, het volgen van berichtgeving in de electronische media, het spitten in databases van opdrachtgevers (datamining)etc. Degenen die dit soort zaken nu aan zich voorbij laten gaan zullen in de nabije toekomst de boot gaan missen.

 

 

Ted Vonk