Waarborg
representativiteit ligt in gebruik verschillende methodes naast elkaar
De medewerking aan
onderzoek is nog steeds tanende. Daar zijn vele redenen voor. Onderwerp en de
lengte van het gesprek hebben grote invloed op de bereidwilligheid om mee te werken.
Daarnaast varieert de bereikbaarheid van delen van de samenleving sterk per
methode van ondervraging. Representativiteit van onderzoek staat onder grote
druk en daarmee de kwaliteit van de informatie die we leveren. Al deze
ontwikkelingen vragen om veranderingen in het denken over wat wel en niet
geoorloofd is bij dataverzameling.
In de
jaren tachtig kon het nog gebeuren dat er op verjaardagsfeestjes getwijfeld
werd aan de representativiteit van onderzoek omdat men zelf nooit ondervraagd
was. Tegenwoordig kan je bij dit soort gelegenheden beter niet meer bekend
maken dat je marktonderzoeker bent want de klaagzang over de ongevraagde
telefoondruk kent geen grenzen. En uitleggen dat niet ieder ongevraagd
telefoontje marktonderzoek is helpt ook niet echt. De bereidwilligheid om aan
onderzoek mee te werken neemt nog steeds af. Dat is ook af te leiden uit wat
meer objectieve gegevens.
Continu
onderzoeken zijn daarvoor een goede graadmeter omdat methode en inhoud vrijwel
ongewijzigd blijven. Sinds 1986 loopt bij het NIPO de Business Monitor. Een
onderzoek bij het bedrijfsleven met een vragenlijst met een gemiddelde lengte
van 20 minuten. Eind jaren tachtig was de verhouding tussen geslaagde
gesprekken en weigeringen 65% versus 35%.Sindsdien zien we per kwartaal een
gestaag afnemende bereidwilligheid. Ook nu nog, ondanks alle inspanningen die
gedaan worden om respons te bevorderen. De verhouding tussen geslaagde
gesprekken en weigeringen is al meer dan omgekeerd.:
30% versus 70%. Om tot een geslaagd gesprek te komen moeten nu veel meer contactpogingen
gedaan worden dan in het verleden. Voor een gemiddeld
consumenten gesprek zijn nu ca. 7,5 contactpogingen nodig. Drie jaar geleden
was dat nog ongeveer 5. Dat dit alles een opwaartse druk op de kosten van
onderzoek geeft mag duidelijk zijn.
Er is
een ongeschreven regel in het marktonderzoek die zegt dat de non respons zich
net zo gedraagt als de respons. De wetenschappelijke methodes die bij steekproeftrekking
gebruikt worden staan daar borg voor. In de praktijk blijkt echter maar al te
vaak dat er sprake is van selectieve respons en dat de uitkomsten van een
onderzoek meer vertekend zijn dan ons lief is. En hoe lager de respons des te
groter wordt het gevaar van selectieve respons. De bereidwilligheid om mee te
werken hangt van vele factoren af maar wordt in sterke mate bepaald door de
betrokkenheid bij en de interesse in het onderwerp en de lengte van een
vraaggesprek. Hoe meer iemand geïnteresseerd is in een onderwerp hoe groter de
kans is dat die persoon meewerkt aan een onderzoek over dat onderwerp. En
mensen die in iets geïnteresseerd zijn gedragen zich niet alleen in onderzoek
anders maar ook in werkelijkheid anders dan niet geïnteresseerden.
Wat voor gevolgen dat kan hebben voor de uitkomsten van onderzoek kan het best
aan de hand van een voorbeeld worden duidelijk gemaakt.
Het
betreft een onderzoek over de afname van diensten bij en het imago van banken dat jaarlijks gehouden wordt in opdracht van enkele
grote banken. Begin jaren 90 besloot een aantal banken samen te gaan en werd
besloten de vragen over het imago dat jaar niet in de vragenlijst op te nemen.
De gespreksduur ging daarmee terug van ruim 30 minuten naar 14 minuten. De
vragen aan het begin van de vragenlijst over relaties en de dienstafname bleven
ongewijzigd. De uitkomsten echter niet. Er deden zich grote verschuivingen voor
in de relaties met de diverse banken. En als er een branche is in Nederland
waar men hondstrouw is dan is dat in de banksector. Het aantal switchers is in werkelijkheid heel erg beperkt. En ook
andere onderzoeken lieten een stabiel relatiepatroon zien. De waargenomen
veranderingen in de relaties met banken hadden niets van doen met heftige
marktbewegingen. De oorzaak van de veranderingen konden nagenoeg geheel
teruggevoerd worden aan de verschillen in respons en de daardoor andere
samenstelling van de ondervraagde steekproef.
De respons verschilde van het een op het andere jaar
sterk. Bij de vragenlijst van 30 minuten bedroeg de repons
net 30% en bij die van 14 minuten 54%. Tabel 1 laat
enkele verschillen zien in de uitkomsten
en de respons. Het gemiddelde aantal bankrelaties was van 2,1 gedaald
naar 1,8 en het aantal bedrijven met maar 1 bankrelatie was gestegen van 28%
naar 40%. De verklaring voor deze verschillen ligt in de interesse in
bankieren. Mensen die in bankieren geïnteresseerd zijn zullen in het dagelijkse
leven zich tot meerdere banken wenden om daar zaken mee te doen en op die
manier betere voorwaarden te kunnen afdwingen. Zij zijn ook eerder bereid om
aan onderzoeken over banken mee te werken. Mensen die niet of weinig in
bankieren geïnteresseerd zijn beperken zich voor het zaken doen veelal tot een
noodzakelijke bank. En bij onderzoek over bankzaken weigert men vooral bij
langere vragenlijsten eerder omdat men bang is dom te worden gevonden omdat men
er weinig vanaf weet of omdat men zich niet gedraagt op een manier die van een
ondernemer verwacht wordt.
Om het
effect van de lengte van de vragenlijst zuiver te kunnen meten is ook een
testonderzoek gedaan waarbij alleen in de aankondiging verschil werd gemaakt in
de lengte van het gesprek. Vragenlijst van deze split run waren volledig
identiek.
Tabel 1
|
|
Jaar
1 |
jaar
2 |
test
met aankondiging 30 minuten |
test
met aankondiging van 14 minuten |
|
Steekproef |
Ca.
3000 |
Ca.
3000 |
250 |
250 |
|
Respons |
30% |
54% |
28% |
56% |
|
Lengte
gesprek |
30
minuten |
14
minuten |
14
minuten |
14
minuten |
|
|
|
|
|
|
|
Gemiddeld
aantal bankrelaties |
2,10 |
1,84 |
2,15 |
1,92 |
|
Relatie
met 1 bank |
28% |
40% |
26% |
34% |
|
|
|
|
|
|
Het
risico op selectieve non-respons wordt groter naarmate een vraaggesprek langer
duurt. Vanuit de VMO bureaus wordt geadviseerd een telefonisch vraaggesprek
maximaal 20 minuten te laten duren. Om inzicht te krijgen in selectieve respons
kan men aan weigeraars een of twee vragen stellen die inzicht geven in
relevante kenmerken. Door onderzoek niet te specifiek te omschrijven kan men de
kans op selectieve non-respons verminderen. Het beste middel om zuiver inzicht
te krijgen in marktverhoudingen is echter een korte vragenlijst met daarin
alleen de noodzakelijke vragen voor het bepalen van marktverhoudingen.
Een
steeds groter deel van de non-respons is te wijten aan het niet meer kunnen
bereiken van bepaalde bevolkingsgroepen in de samenleving. Het `druk-druk-druk syndroom` en de
24-uurs economie houdt steeds meer mensen in de greep. Het thuis zijn of het
tijd hebben op momenten dat men voor onderzoek benaderd wordt is niet gelijkelijk verdeeld over alle geledingen van de
samenleving. Hierdoor zijn bepaalde bevolkingsgroepen stelselmatig ondervertegenwoordigd in steekproeven. En die
bereikbaarheid verschilt per methode van onderzoek. Bij face-to-face
onderzoek worden uit kosten overwegingen gewoonlijk minder contactpogingen
gedaan. Tweeverdieners, jongeren en hoger opgeleiden zijn daardoor stelselmatig
ondervertegenwoordigd bij face-to-face
onderzoek.
Om het
hoofd te kunnen bieden aan deze ontwikkelingen zullen we een aantal zaken
rondom onderzoek moeten accepteren die tot voor kort geheel taboe waren. Mede
ingegeven door de schaarste aan enquêteurs zullen we toegaan naar zogenaamde acces panels. Databases met enkele tienduizenden
zorgvuldig geselecteerde huishoudens en bedrijven die zich bereid verklaard
hebben om met enige regelmaat aan onderzoek mee te werken. Men zal betaald
worden voor het geven van informatie. De kosten van enquêteurs worden doorgesluisd naar de respondent om zo binding te creëren.
Van deze huishoudens-bedrijven wordt een groot aantal
zaken bijgehouden. Hiermee kunnen steekproeven efficiënter worden aangestuurd en
selectieve respons worden vermeden. En respondenten kunnen zelf aangeven op
welke manier men informatie wil verstrekken. Hetzij telefonisch, mondeling of
via Internet. Daar kleven natuurlijk allerlei onderzoektechnische bezwaren en
beperkingen aan. En een aantal zaken zal daardoor onmogelijk worden. Maar we
dienen ons serieus af te vragen wat beter is: een `representatieve` steekproef
waarmee we 20% van de bevolking bereiken of een steekproef waarbij
verschillende methodes gebruikt worden maar waarbij 60% van de bevolking is
vertegenwoordigd..Wat mij betreft is het antwoord
duidelijk.
Ted
Vonk
Directeur
NIPO, het Marktonderzoekinstituut
05/09/1999